Vliegtuigcrash Schinnen - Geleen op 17 december 1944
Messerschmitt Bf 110 crash
In de late avond van 17 december vertrokken vanaf diverse Duitse vliegvelden tientallen Messerschmitt Bf110 vliegtuigen van de twaalfde en de zesde Staffel van het Nachtjagdgeschwader 1 voor een missie die de naam “Sondereinsatz Nachteule” droeg. De bedoeling van deze missie was om grondtroepen van de geallieerden te bestoken.
Vanaf het Duitse Dortmund vertrok de Messerschmitt Bf110 met registratienummer 180558, met aan boord piloot Robert Heinrich (40 jaar), boordmarconist Helmut Buchholz (20 jaar) en boordschutter Max Fuchs (22 jaar). Ze vlogen die nacht met deze missie mee.
Op de zwart-grijs gevlekte romp stonden de codeletters G9 + RZ.
De Bf110 vloog boven Sittard toen het vliegtuig een voltreffer kreeg van het Amerikaanse luchtafweergeschut waarna vrijwel meteen het vliegtuig op vrij grote hoogte explodeerde in de lucht boven Munstergeleen. Over een groot gebied dwarrelde de brandende brokstukken naar beneden en het grootste gedeelte van dit vliegtuig sloeg te pletter in het landgoed en manegé van H. Baggen, het hedendaagse Stoeterij KeldernaarB.V.
Max Fuchs overleefde de crash niet en werd door de geallieerden begraven in een veldgraf, niet ver van de plek waar het grootste gedeelte van het vliegtuig neergekomen was.
Misschien interessant om te vermelden, dat diezelfde nacht een soortgelijke nachtjager door afweergeschut van het Engelse 108th Heavy Anti-Aircraft Regiment werd neergehaald boven Elsloo – Lagerbos waarbij de bemanning eveneens om het leven kwam.
Voor dit onderzoek heb ik dankbaar gebruik kunnen maken van alles wat Bert Spoelstra in de jaren ’90 hierover heeft onderzocht en beschreven. Ik heb zijn onderzoek als basis genomen en verder aangevuld met hetgeen ik nog te weten ben gekomen.
Robert Heinrich:Robert werd geboren op 3 maart 1904 in Frankfurt. Hij had Erkennungsmarke 60930/81. Hij was getrouwd met Hanni Heinrich en woonde aan de Bergerstrasse 6 in Frankfurt.
Wat er met piloot Robert Heinrich gebeurd was bleef vooralsnog een groot raadsel.
Hij ligt nu begraven in Ysselsteyn in graf CM-12-284
Helmut Buchholz:Helmut werd geboren op 31 januari 1922 in Berlijn. Hij had Erkennungsmarke 63729/217 Zijn vader heette Arnold. De boordmarconist Helmut had kennelijk nog kans gezien om het toestel tijdig te verlaten want hij landde nabij Nuth, waar hij door de Amerikanen krijgsgevangenen werd gemaakt. Hij kreeg als krijgsgevangene het POW-nummer 63.729. Toch was hij blijkbaar zo ernstig gewond dat hij de volgende dag, 18 december 1944 al stierf. Ze begroeven hem in Nuth.
Max Fuchs:
Max werd geboren op 21 januari 1924 in Rempesgruen. Hij had Erkennungsmarke 60930/93. In het gemeentearchief van Sittard vond Bert een brief welke geschreven was op 1 juni 1946 door ene Heinz Schneider. Heinz Schneider beschreef dat in de nacht van 17 op 18 december tussen 23:00 en 24:00 uur twee Duitse vliegtuigen boven Sittard lichtparachutes uitwierpen om zo de vijandelijke bevoorradingseenheden te storen. Dit bleef niet onopgemerkt bij de Amerikanen die vanaf de grond met hun zwaar luchtafweergeschut op de Messerschmitt BF 110 schoten. Het toestel kreeg een voltreffer waarna het neerstorten van een brandende machine werd waargenomen.
Heinz Schneider was op zoek maar meer informatie hierover omdat hij bevriend was met de boordschutter Max Fuchs. De gemeente Sittard schreef hem een brief terug dat bij hen hierover niets bekend was.
Het lukte Bert om na al die jaren in contact te komen met de betreffende man, Heinz Schneider en uiteindelijk resulteerde dit in een jarenlange vriendschap tussen beiden.
Heinz vertelde Bert dat hijzelf die nacht niet had deelgenomen aan de missie “Sondereinsatz Nachteule” maar dat een andere piloot hem bij terugkomst op de vliegbasis had verteld dat hij het vliegtuig van Max Fuchs brandend boven Sittard had zien neerstorten.
Heinz was twee jaar ouder dan Max Fuchs en werkte als bordfunker voor de Luftwaffe. In augustus 1944 leerde Heinz en Max elkaar kennen toen Heinz naar de “Nachtjacht” van Max werd overgeplaatst. Omdat de twee uit dezelfde streek kwamen, raakte zij bevriend. Ze verbleven samen op een kamer in Dortmund, in kasteel Schwansbell bij Lünen dat in de nabijheid lag van het Duitse vliegveld. Heinz omschreef Max als een behulpzame, vriendelijke en geliefde kameraad.
Max was terughoudend om over zijn familie te praten en was volgens Heinz verloofd. Nadat Max vermist was geraakt heb ik zijn spullen ingepakt zodat dit naar zijn familie opgestuurd kon worden. Hij had een broer Rolf Fuchs die in Liepzig woonde
Toen duidelijk was dat Max Fuchs die nacht in december 1944 niet meer terugkeerde had hij een goede vriend verloren.
Foto voor kasteel Schwansbell met rechts Max Fuchs. Foto via Heinz Schneider aan Bert Spoelstra
Max Fuchs zittend op een brug: foto via Heinz Schneider aan Bert Spoelstra
Max Fuchs Links en Heinz Schneider rechts op balkon van kasteel Schwansbell.
Foto via Heinz Schneider aan Bert Spoelstra
De jaren die volgden:
23 mei 1945: De burgemeester van Schinnen schreef een brief naar de directeur van het informatiebureau van het Nederlands Rode Kruis waarin hij schreef dat hij nog geen opgaven had doorgespeeld van in zijn gemeente omgekomen en begraven militairen. In de brief schrijft hij dat een Duitse militair op een perceel begraven werd dat bekend was als Schinnen, Sectie No.3014 Puth – Keldenaar. Op het lichaam werd geen kenteken aangetroffen.
01 augustus 1945: De burgemeester van Schinnen scheef een brief aan het ministerie van oorlog, waarin hij hetzelfde verhaal schreef en hierbij aangaf dat de Duitse militair een houten kruis had gekregen. Verder werd er geen zorg of aandacht aan het graf besteed
23 augustus 1945: Het stoffelijk overschot van Max Fuchs werd op deze dag door de Afdeling Identificatie en Berging van het Nederlandse Rode Kruis geborgen en overgebracht naar de algemene begraafplaats in Schinnen.
30 augustus 1945: De burgemeester van Schinnen ontvangt een brief van het Nederlandse Rode Kruis afdeling Identificatie en berging. In deze brief staat vermeld dat ze het stoffelijk overschot van de gesneuvelde Duitse piloot geborgen hadden. Hierbij werd geen identiteitsplaatje aangetroffen. Verder stond erbij genoteerd dat het stoffelijk overschot geheel verbrand was en dat er slechts enkele resten aanwezig waren. Het werd overgebracht naar de algemene begraafplaats ter plaatse.
14 augustus 1946: De burgemeester van Nuth schreef een brief naar de Limburgse Federatie van verenigingen voor vreemdelingenverkeer dat in zijn gemeente nog een Duitse militair ligt begraven, die gestorven is aan zijn verwondingen op 18-12-1944. De naam van deze militair is Bucholz B.U.H met erkennungsmark 63.729/217
27 Mei 1952:
In verschillende dagbladen van 27 mei werd melding gemaakt van gevonden wrakstukken van een Duits vliegtuig nabij Neerbeek.
Acht dagen eerder, dus vermoedelijk 18 mei 1952, werd er ook al achter de vuilnisbelt van de gemeente Geleen een Duits toestel opgegraven, waarvan eveneens het stoffelijk overschot van de piloot aangetroffen werd.
Het vuilnisbelt van de gemeente lag achter de oude steenfabriek Plinthos nabij Daniken
Van deze opgraving en de gevonden piloot hebben we geen informatie kunnen achterhalen, maar waarschijnlijk ging het hier om Robert Heinrich
26 mei 1952: De burgemeester van Schinnen schrijft een brief terug naar het Nederlandse Rode Kruis en voegt aan de brief een legitimatiekaatje en een vernielde sigarettenkoker toe. Deze voorwerperpen werden gevonden bij het opgraven van de wrakstukken van een Duits legervliegtuig in zijn gemeente.
13 december 1954: Op deze dag werd het stoffelijk overschot van Max Fuchs opgegraven op het algemene kerkhof in Schinnen en overgebracht naar Ysselsteyn. Hier werd hij begraven in graf 284, rij 12, vak CM. Het stoffelijk overschot kon niet geïdentificeerd worden.
5 juni 1956: De moeder van Max Fuchs, Mevr. M.E.T.A. Fuchs, wonende aan de Karl. Licbkechtstraat 6 te Taucha bezocht die dag het Duitse militaire kerkhof in Ysselsteyn om het graf van haar zoon te bezoeken. Ze vertelde de beheerder van de begraafplaats dat Max op jeugdige leeftijd twee kiezen had getrokken in de bovenkaak en dat hij twee uitstekende hoektanden had. Verder had hij brede voortanden. Zijn lengte was ongeveer 1,70m.
Om zeker te zijn dat Max Fuchs in dit graf begraven lag werd besloten om op 11 juni 1956, zes dagen na het bezoek van zijn moeder, Max’s graf opnieuw te openen en zijn stoffelijk overschot te her-identificeren. Het stoffelijk overschot dat in graf CM-12-285 lag was in plastic begraven. Er was geen herkenningsplaatje of persoonlijke eigendommen aanwezig. De geschatte lengte was 1.69 tot 1,70 m. Er werden geen kledingresten aangetroffen. Bij de controle van de tandstatus werd vastgesteld dat het stoffelijk overschot in de bovenkaak uitstekende hoektanden had en brede voortanden.
12 juni 1956: De beheerder van het Duitse militaire kerkhof stuurde een bevestiging van de her identificatie van Max Fuchs naar het Ministerie van Oorlog.
7 mei 1991: Bert Spoelstra ontving een brief van het Staatsarchief Leipzig naar aanleiding van zijn schrijven om meer informatie over Max Fuchs te bemachtigen. Er staat in de brief te lezen dat een inwoonster uit Taucha, die zelf Max Fuchs en zijn ouders heeft gekend op zoek gaat naar de drie broers van Max Fuchs. Ze schrijven dat de ouders van Max inmiddels zijn overleden. Ze hopen in de toekomst meer informatie over de broers van Max te kunnen verstrekken.
4 november 1991: Bert Spoelstra ontving wederom een brief van het Staatsarchief Leipzig waarin het adres van de broer van Max Fuchs, Rolf Fuchs vermeld stond. Hiermee kon Bert contact opnemen met deze broer.
10 november 1991: Bert Spoelstra schreef een brief van drie kantjes aan de broer van Max Fuchs maar daar kwam helaas nooit een reactie op.
16 januari 1992: Bert Spoelstra ontving wederom een brief van het Staatsarchief Leipzig waarin een reproductie van een portretfoto van Max Fuchs zat. Deze had het archief via Rolf Fuchs ontvangen.
Jaren later kwam Bert Spoelstra een oud-politieman tegen, Piet Leers, die hem, samengevat, het volgende vertelde:
“Ik heb als politieman toezicht gehouden bij het opgraven van de wrakstukken van een Duits vliegtuig, waarvan ik geen soort en/of type weet. Ik meen te herinneren, dat ik toen gehoord heb, dat het om een Messerschmitt zou handelen, maar dat weet ik niet zeker. Dat vliegtuig was neergestort achter de oude steenfabriek in Keldenaar, tegen de grens met Daniken aan. Daarbij werden de resten van de piloot geborgen. Ik weet nog dat het lijk in verregaande staat van ontbinding verkeerde. Ik weet niet meer precies wanneer die opgraving plaats vond, maar ik dacht ergens in 1946.”
Een andere inwoner van Schinnen, Thei Erkens vertelde hem:
“Ik kan me herinneren, dat ik in de oorlog, maar ik weet niet meer wanneer, een vliegtuig brandend naar beneden heb zien neergaan. De machine moet zijn neergekomen onderaan de Putherberg, komende vanaf Puth aan de linkerkant in het veld.”
Paul Potten uit Schinnen verklaarde verder:
“Ik was een jongen van ongeveer 12 jaar oud, dus dat zal in 1952 geweest zijn, toen ze in de Keldenaar een vliegtuigwrak hebben opgegraven."
Eigen onderzoek in 2021
Na alle gegevens naast elkaar te hebben gelegd wisten we vrij zeker dat de Messerschmitt jachtvliegtuig boven Munstergeleen ontploft was en dat de brokstukken over een breed gebeid naar beneden waren gekomen. Een kaart gemaakt op 10 oktober 1991, door de voor mij nog steeds onbekende E. Pisters gaf meer duidelijkheid. Deze kaart zat in een dossier dat ik van Bert Spoelstra had ontvangen.
Afbeelding van de met de hand getekende situatie schets gemaakt door de nog voor mij onbekende E. Pisters
Volgens deze handgemaakte kaart was het grootste gedeelte van de Messerschmitt neergekomen op het landgoed dat behoort aan Stoeterij Keldenaar B.V. en was het veldgraf van Max Fuchs op een tegenoverliggend perceel geweest.
Via het Kadaster werd er een opvraag gedaan om in contact te komen met de huidige perceeleigenaren. Stoeterij Keldenaar B.V. reageerde in eerste instantie enthousiast maar op de een of andere manier was het moeilijk om met hen in gesprek te komen. Helaas bleven diversen pogingen om samen in contact te komen steevast door hun onbeantwoord.
Het perceel waar het veldgraf van Max Fuchs was geweest was eigendom van Jos Vroemen (1954 – 2024) en Jos was meteen enthousiast. Van Jos kreeg ik toestemming om zijn perceel te onderzoeken al moest een tijdje wachten totdat het graan geoogst was. Toen het zover was trof ik op zijn landbouwgrond, rondom de plek waar Max Fuchs zijn veldgraf had stukjes aluminium aan die met grote zekerheid afkomstig waren van het vliegtuig. Doordat de Messerschmitt in de lucht geëxplodeerd was en de brokstukken over een breed gebied neerdwarrelde, is het niet zo vreemd dat hier stukjes aangetroffen werden. Het enige minpuntje was dat de aluminium stukken niet voorzien waren van cijfers of fabrieksstempels, die de herkomst met 100% hadden kunnen bevestigen.
Gevonden wrakresten